p.MSONORMAL {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} li.MSONORMAL {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} div.MSONORMAL {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} p.MSOHEADER {mso-style-noshow:yes; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} li.MSOHEADER {mso-style-noshow:yes; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} div.MSOHEADER {mso-style-noshow:yes; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} p.MSOFOOTER {mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} li.MSOFOOTER {mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} div.MSOFOOTER {mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} p {mso-style-noshow:yes;} span.TDEFAULT {mso-style-unhide:no;} span.APPLE-CONVERTED-SPACE {mso-style-unhide:no;} span.APPLE-STYLE-SPAN {mso-style-unhide:no;} span.KOPTEKSTCHAR {mso-style-noshow:yes; mso-style-unhide:no; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} span.VOETTEKSTCHAR {mso-style-unhide:no; mso-bidi-font-family:"Times New Roman";} .MSOCHPDEFAULT {mso-default-props:yes;}
Rapport belemmerende regelgeving mobiel erfgoed
Inleiding.
In de
Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg heeft de minister van OC&W
aangekondigd een onderzoek te
laten doen naar de beperkingen in de sectorale wet- en regelgeving voor de
instandhouding en herstel van mobiel erfgoed. Op dit moment is er geen aparte
wettelijke regeling voor de bescherming van mobiel erfgoed. De Monumentenwet
strekt zich alleen uit tot onroerende zaken. Mobiel erfgoed zijn per definitie
roerende zaken omdat ze niet duurzaam met de grond of via een gebouw met de
grond zijn verenigd.
Omdat alles dat
niet onroerend is, volgens de wet een roerende zaak is moet er voor dit onderzoek
een grens worden getrokken voor wat valt onder de term Mobiel erfgoed. Om deze
reden kan ook niet worden uitgegaan van roerend erfgoed want daar zouden teveel
zaken onder vallen. Voor dit
onderzoek is aansluiting gezocht bij de Australische , ‘Protection of Movable
Cultural Heritage Regulation (Statutory rules 1988, no. 194) en dan in het
bijzonder bij onderdeel VI inzake objecten van toegepaste wetenschap of
technologie. Onder deze categorie worden in Australië onder andere
luchtvaartuigen, objecten voor wegtransport, objecten voor watertransport ,
objecten voor railtransport en landbouwmachines beschermd voor zover zij van
historisch belang zijn. Dit onderzoek richt zich op die categorieën met daarbij
de woonschepen die van historisch belang kunnen zijn.
In Vlaanderen
heeft de wetgever er voor gekozen om met het decreet van 23 mei 2008 houdende
de ontwikkeling, de organisatie en de subsidiëring van het Vlaams
cultureel-erfgoedbeleid. Een aparte regeling te treffen voor mobiel erfgoed.
Dit wordt gelijkgesteld met het onroerende erfgoed. Het decreet kent geen specifieke indeling van het mobiel
erfgoed. Alles dat roerend is kan er onder vallen. Daarnaast kent Vlaanderen
het decreet houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van
uitzonderlijk belang. Dit decreet maakt het mogelijk om een lijst te maken van
roerende culturele topstukken die van zeer groot belang zijn voor de Vlaamse
gemeenschap. De bijbehorende topstukkenlijst bevat vooral veel museumstukken en
geen mobiel erfgoed. Tot slot kent Vlaanderen het decreet van 29 maart 2002 tot
bescherming van varend erfgoed. Dit decreet regelt de bescherming van alles dat
vaart of drijft en waarvan het behoud van algemeen belang is. Opvallend is dat
volgens de Vlaamse regelgeving schepen gelijkstelt worden met onroerende zaken.
In dit rapport
zullen per type mobiel erfgoed de specifieke belemmeringen uit de wetgeving
worden behandeld. Omdat de milieuregels en de arboregels voor alle typen mobiel
erfgoed dezelfde belemmeringen veroorzaken worden deze regels apart behandeld.
1. Woonboten en de ruimtelijke
wetgeving.
Omdat woonboten
onderdeel uitmaken van dit onderzoek is het van belang om vast te stellen of
sommige woonboten niet vallen onder de Monumentenwet omdat zij onroerend zouden
zijn. Daarbij kom ik bij de eerste onderzoeksvraag.
Zijn historische woonboten te definiëren als
mobiel erfgoed of als onroerend goed?
Over de vraag of
een woonboot roerend is onroerend is zijn vele artikelen geschreven en uitspraken gedaan door rechters. De
discussie spitst zich niet zozeer toe op echte oude schepen die worden bewoond
maar meer op de woonarken en het fenomeen van de drijvende waterwoning. Het criterium om vast te stellen of een
zaak onroerend is volgt uit artikel 3.3 Burgerlijk Wetboek.
“ Onroerend zijn de grond, alsmede de gebouwen en de werken die duurzaam
met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met
andere gebouwen of werken".
Omdat woonboten drijven boven de grond en slechts zeer beperkt
vastzitten aan de grond van de wal is het uitgangspunt dat een woonboot roerend
is. Echter in Van Dijk-Barkmeijer/Duijnstee- Van Imhoff/Verbeek/Schep,
‘Waterwoningen in Ijburg: tussen wal en schip? , Bouwrecht 2007/28, p. 111
wordt betoogd dat woonboten en met name drijven woningen wel degelijk onroerend
kunnen zijn. Mogelijk ingegeven door dit artikel heeft het Gerechtshof Anrhem
bij uitspraak van 15 oktober 2007 bepaalt dat woonboten
onder omstandigheden een onroerende zaak zijn. Bij uitspraak van 15 januari
2010 heeft de Hoge Raad dit oordeel verworpen en vastgesteld dat een woonboot
een schip is in de zin van artikel 8.1 Burgerlijk Wetboek en dus per definitie
een roerende zaak. Dit is slechts anders indien de verbinding met de oever
zodanig duurzaam is dat er sprake is van verbondenheid met de grond. Hiervoor
is onvoldoende dat er een verbinding is via leidingen, kabel en buizen. Ook is
onvoldoende dat de woonboot aan palen is verankerd. Feitelijk is alles dat drijft
en verplaatsbaar is ook al is het verbonden met de grond een schip en dus een
roerende zaak.
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat woonboten altijd
roerende zaken zijn die niet vallen onder de Monumentenwet. Drijvende woningen die zeer duurzaam met de wal zijn verankerd
en niet los kunnen worden gemaakt van de wal zijn mogelijk wel onroerend, maar
hiervan zijn geen duidelijke voorbeelden aanwezig in Nederland.
Wat zijn de beschermingsmogelijkheden in de
Wro voor woonboten?
Woonboten zijn
wel zaken die vallen onder de ruimtelijke regels zoals bestemmingsplannen.
Hierdoor is de vraag of de Wro mogelijkheden biedt om historische woonboten via
het bestemmingsplan te beschermen. Daarbij moet meteen worden opgemerkt dat
woonboten meestal niet worden gezien als een bouwwerk in de zin van de
Woningwet, waardoor veel gemeenten aparte regels hebben opgesteld voor het
(ver) bouwen en onderhouden van woonboten. Daarnaast zijn er vaak gemeentelijke verordeningen opgesteld
met regels over ligplaatsen voor woonboten.
Het grootste
gevaar voor historische woonboten zijn volgens het ministerie van VROM, sloop, slecht onderhoud, zinken door
lekkage ,botsingen met pleziervaartuigen of schepen , het droogvallen van het
water, hoogwater en ijsgang. In de praktijk blijkt dat eigenlijk alleen lekkage
van leidingen een veelvoorkomende reden is dat woonboten zinken.
In de Wro is geen
directe beperking opgenomen van onderwerpen die kunnen worden opgenomen in een
bestemmingsplan. Ruimtelijk relevante zaken kunnen worden geregeld in een
bestemmingsplan dus ook de ligging van historische woonboten en de daarbij
behorende voorzieningen. Zo kan in een bestemmingsplan worden opgenomen dat een
bepaalde ligplaats alleen bedoeld is voor een historische woonboot. Hiermee wordt
voorkomen dat op die locatie een historisch relevante woonboot wordt vervangen
door een moderne woonboot. Sommige gemeenten leggen in hun bestemmingsplannen
zelfs vast welke woonboot op een bepaalde plek mag liggen. Bij gebrek aan
rechterlijke uitspraken is het tot nu toe onduidelijk of dit ook toelaatbaar
is.
Daarnaast kunnen voorzieningen worden
opgenomen in het bestemmingsplan die bescherming bieden tegen aanvaringen met
plezierboten en schepen. Ook kunnen bepalingen ten aanzien van het waterpeil worden
opgenomen ter voorkoming van fluctuaties in het waterpeil die schade kunnen
veroorzaken aan een woonboot.
Het is dus tot op
zeker hoogte mogelijk om historische woonboten via de Wro in een
bestemmingsplan te beschermen. Het nadeel hiervan is dat de Wro ook de
mogelijkheid geeft om vrij eenvoudig een bestemming weer te wijzigen. Het
wijzigen van een bestemming is niet meer eenvoudig zodra het gaat om een
monument in de zin van de Monumentenwet. De wijziging kan dan alleen
plaatsvinden na een gedegen onderzoek naar de gevolgen voor het monument. Omdat
woonboten op dit moment geen onderdeel uitmaken van de Monumentenwet, genieten
historische woonboten niet deze uitgebreide bescherming.
2. Met welke regelgeving heeft
mobiel erfgoed te maken?
De regelgeving
waarmee mobiel erfgoed krijgt te maken verschilt per type erfgoed en het soort
eigenaar. Particuliere eigenaren die als hobby mobiel erfgoed onderhouden
hebben met name op het gebied van milieu- en arboregelgeving met minder
belemmeringen te maken dan professionele organisaties. Per type erfgoed zal worden ingegaan op
de bestaande regelgeving waarmee men te maken krijgt. Omdat de arboregelgeving
en milieuregels voor inrichtingen, voor alle hier beschreven typen mobiel
erfgoed dezelfde gevolgen hebben worden die in twee aparte paragrafen
behandeld.
2.1 Voertuigen voor op het spoor zoals
treinen en trams.
De grootste
belemmering voor treinen zijn de veiligheidseisen die worden gesteld aan het
rijden op het spoor. Het gaat dan om de plicht om een E- ATB (eenvoudig
Automatisch Trein Beïnvloedingsysteem)
in de trein in te bouwen. De kosten van een E-ATB liggen rond de 30.000
euro per trein. Zonder E-ATB mogen historische treinen sinds april 2009 geen
gebruik meer maken van het hoofdspoorwegnet. Ter compensatie van de kosten
heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat een eenmalige uitkering gedaan voor
de bestaande historische treinen die met dit probleem werden geconfronteerd. Voor historische treinen die nog worden
gerestaureerd of worden geïmporteerd geldt dat de kosten door de eigenaren
moeten worden gedragen. Dit vormt een belemmering bij het herstel en gebruik
van historische treinen . Er is een mogelijkheid tot ontheffing door de Inspectie
Verkeer en Waterstaat. In antwoorden op Kamervragen heeft de minister van
Verkeer en Waterstaat mede namens de minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap aangegeven dat hij gelet op de spoorveiligheid, geen gebruik meer
zal maken van de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen (Handelingen II ,
2007/08, 2087) voor historische treinen. De stringente toepassing van de E-ATB
plicht wordt als zeer beknellend ervaren door de organisaties die zich
bezighouden met het in stand houden van historische treinen. Zij zouden liever
zien dat een bepaald gedeelte van het spoor toegankelijk is voor historische
treinen zonder E-ATB. Een ontheffing van de E-ATB plicht voor historische
treinen is gelet op het eerdere standpunt van de minister van Verkeer en
Waterstaat niet mogelijk.
In 1999 is de
Europese Pressure Equipment Directive van kracht geworden met daarin bepalingen
over het op de Europese markt brengen van drukapparatuur waaronder
stoomapparaten. De richtlijn is geïmplementeerd in het Warenbesluit Drukapparatuur
en de Warenwetregeling drukapparatuur. De richtlijn zelf sluit de toepassing
uit op ruimschoots voldoende drukbestendige apparaten zoals motoren, turbines,
stoommachines, turbogeneratoren, compressoren, pompen en servomechanismen.
Waar de Europese
richtlijn alleen ziet op bepaalde nieuwe producten gaat het Warenbesluit
drukapparatuur veel verder. Daarin zijn ook bepalingen opgenomen ten aanzien
van het in gebruik nemen van stoommachines, de werking van stoommachines en het
periodiek keuren van stoommachines.
Doel van deze strengere regeling is om te voorkomen dat er ongelukken
gebeuren met werknemers die werken met de stoommachine. Op 1 augustus 2005 zijn
de regels voor gebruik en keuring wel enigszins versoepeld. Het grootste
knelpunt dat nu bestaat betreft de stoomketels die niet gelast zijn maar met
nagels in elkaar zitten. Om te controleren of deze stoomketels voldoen aan de
eisen van gebruik wordt soms gevorderd dat de nagels worden verwijderd en
onderzocht. Door deze handeling beschadigt de stoomketel en worden de bestaande
verbindingen juist zwakker. De eis dat de nagels worden onderzocht volgt niet
rechtstreeks uit de regelgeving maar wordt door sommige keurmeesters geëist om
te kunnen beoordelen of de ketel voldoet.
Een specifieke
ontheffing van deze regels is gelet op het doel, de veiligheid van
drukapparatuur, niet mogelijk. Vanuit de organisaties die zich bezighouden met
het in stand houden van historische treinen is het wel wenselijk dat overleg
plaatsvindt met de Technische Commissie voor Drukapparatuur
over de methoden voor het keuren van historische drukapparatuur.
Uit het onderzoek
‘Asbest in kaart’; Historisch onderzoek Asbestgebruik. Methode
Asbestkansenkaart van Historisch
onderzoeksbureau Register uit 2006 in opdracht van Senternovem blijkt dat
Nederlandse treinen en trams in het verleden werden geïsoleerd met asbest.
Daarnaast blijkt uit het rapport dat ook asbest is toegepast in rem- en
frictiemateriaal voor treinen en trams.
Op grond van het productbesluit asbest is het in Nederland verboden om
asbest op voorraad te hebben, te bewerken of te verwerken. Dit betekent dat het
niet meer mogelijk is om de in treinen en trams aanwezige asbest te vervangen
voor nieuwe asbestonderdelen. In
de praktijk wordt nu gebruik gemaakt van bijna gelijkwaardige producten om het
asbest te vervangen. Tot op heden is er echter geen goede vervanger ontwikkelt
voor asbest in rem- en frictieonderdelen waardoor dit wel voor hogere kosten
zorgt. Een ontheffing om dit knelpunt op te lossen is gelet op de asbestwetgeving
echter niet mogelijk.
Vanuit de
organisaties die betrokken zijn bij het in stand houden van historische treinen
is aangegeven dat de bielzen die zij gebruiken voor hun spoor nu nog bestaan uit gecreosoteerd hout.
Creosoot wordt door de Europese Unie en het ministerie van VROM gezien als een
gevaarlijke stof. Toch mogen bedrijven gecreosoteerd hout onder voorwaarden nog
toepassen. Dit is geregeld in het Besluit PAK-houdende coatings en producten
Wms 2003. Op grond van dit besluit mag gecreosoteerd hout echter niet worden
toegepast indien het in contact kan komen met oppervlakte- of grondwater. In de
praktijk betekent dit een verbod van het gebruik van gecreosoteerd hout voor
bielzen. Hiermee gaat Nederland verder dan de Europese richtlijnen 76/769/EEG
en 2001/90/EG inzake Creosoot. Uit punt 32 van Bijlage 1 bij richtlijn
76/769/EEG blijkt dat gecreosoteerd hout dat de eerste keer in de handel wordt
gebracht of in situ wordt
herbehandeld, uitsluitend door professionele gebruikers en in industriële
toepassingen worden gebruikt, bijvoorbeeld voor spoorwegen, wel is toegestaan.
Gelet hierop en de beperkte toepassing van gecreosoteerde bielzen voor de
spoorwegen bij treinmusea of ten behoeve van historische treinen is het
mogelijk om een ontheffing te verlenen voor het gebruik van gecreosoteerde
bielzen.
2.2 Voertuigen voor op de weg zoals auto’s en motorfietsen.
Uit het onderzoek
‘Asbest in kaart’; Historisch onderzoek Asbestgebruik. Methode
Asbestkansenkaart van Historisch
onderzoeksbureau Register uit 2006 in opdracht van Senternovem blijkt dat
asbest is toegepast in rem- en frictiemateriaal voor auto’s. Op grond van het Productbesluit asbest
is het in Nederland verboden om asbest op voorraad te hebben, te bewerken of te
verwerken. Richtlijn 71/320/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de
wetgevingen van de Lid- Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde
categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en richtlijn 2002/78/EG,
verbieden ook expliciet
de toepassing van asbest in reminrichtingen van auto’s. Dit betekent dat
het niet meer mogelijk is om de auto’s aanwezige asbest te vervangen voor
nieuwe asbestonderdelen. Tot op
heden zijn er echter geen goede alternatieven ontwikkeld voor deze toepassing
van asbest, zodat dit als een knelpunt wordt ervaren. Gezien de gevaren van
asbest en de huidige regelgeving is een ontheffing echter niet mogelijk noch
wenselijk.
Een belangrijk
knelpunt voor de uitbreiding van de collectie oldtimers in Nederland is de
douaneheffing op import van klassieke auto’s van buiten de EU. Het komt voor
dat buiten de EU een auto wordt gevonden die van belangrijke historische waarde is voor Nederland en waarvan er
in Nederland geen of nog maar enkele exemplaren zijn. Het naar Nederland importeren van deze auto kan vanwege de
invoerheffingen zeer kostbaar zijn. De heffing op import van oldtimers van
buiten de EU is geregeld in de Douanewetgeving en vanuit Europa. Gelet op de
complexiteit van deze regelgeving is het niet goed mogelijk om daarvoor een
ontheffing te regelen. Voor de toekomst zou een register cultureel erfgoed
daarbij een rol kunnen gaan spelen. Gedacht zou kunnen worden aan een
ontheffing van de invoerrechten voor een oldtimer die van zeer grote
historische waarde is en daarom van de kerncollectie van het register deel zal
uitmaken.
Een probleem voor
historische vrachtwagens en bussen is dat zij verplicht een tachograaf aan
boord moeten hebben. De tachograaf dient onder andere ter registratie van de
rust- en werktijden. De regeling voor de verplichte tachograaf is opgenomen in
het Arbeidstijdenbesluit vervoer. De regeling is echter het gevolg van de
Europese verordening EG/561/2006.
Ontheffing hiervan is niet mogelijk zodra een vrachtwagen of bus op enige manier
commercieel wordt geëxploiteerd. Daar is ook bij historische voertuigen al snel
sprake van. Met name om concurrentievervalsing in het transport en
personenvervoer te voorkomen zijn er geen uitzonderingen in de regeling
opgenomen.
2.3 Luchtvaartuigen zoals vliegtuigen.
Een belangrijke
kostenpost voor met name grotere historische vliegtuigen is het verschil in
accijnzen tussen lichte olie en kerosine zoals geregeld in de Wet op de
accijnzen . In het kader van het Belastingplan 2009 (Belastingplan 2009
Kamerstukken II 2008/09, 31704) is gesproken over het opheffen van dit verschil
voor de historische luchtvaart. Hiervoor zou de Wet op de accijnzen moeten
worden aangepast. Door de minister van Financiën is aangegeven dat hij een
voorkeur heeft voor een subsidieregeling in het kader van de bescherming van
mobiel erfgoed. Aangezien ook voor bepaalde historische schepen nu een
gedoogbeleid geldt voor het gebruik van rode diesel in plaats van de duurdere
witte diesel, is het goed mogelijk om te komen tot een uniforme regeling voor
zowel historische vliegtuigen als historische schepen.
Per 1 juli 2009
is het tarief voor de vliegbelasting in Nederland op 0 euro gezet zodat deze
kostenpost ook voor de historische luchtvaart is komen te vervallen.
Op grond van
titel 8A.3 Wet luchtvaart is er een Regeling luchtvaartheffingen op basis
waarvan een geluidsheffing moet worden betaald aan de luchthaven waar men
landt. De kosten van deze heffing lopen op met het lawaai dat een vliegtuig
produceert. Dit betekent dat de kosten relatief hoog zijn voor de lawaaierige
historische vliegtuigen. De prijs hiervan wordt doorberekend aan mensen die een
historische vlucht willen maken. Doel van de heffing is het innen van een
bijdrage voor de geluidssanering rondom de luchthaven. Mede vanwege deze regeling is het
verplicht om een geluidscertificaat te hebben voor een historisch vliegtuig.
Het verkrijgen van een geluidscertificaat is een kostbare procedure voor
historische vliegtuigen waarvan de geluidsproductie niet bekend is.
Vanwege de
geluidsproductie gelden er rond luchthavens geluidszones en voor Schiphol geldt
zelfs een jaarlijkse maximale geluidsproductie. Het meeste geluid wordt echter
veroorzaakt door de reguliere luchtvaart waarbij de geluidsbijdrage van de
historische luchtvaart gering is. Op dit moment levert dit dus nog geen grote
beperkingen op voor de historische luchtvaart. Uit de milieu-effectrapportage
van vliegveld Lelystad, waarvan af veel vluchten worden gemaakt met historische
vliegtuigen, blijkt dat er in de nabije toekomst sprake kan zijn van een
beperking in het aantal vluchten. De bijdrage in de geluidsproductie van
historische vliegtuigen voor dit vliegveld is dermate groot dat een toename van
het aantal vluchten met historische vliegtuigen een beperking zou kunnen
opleveren voor het reguliere vliegverkeer. De provincies zijn ten aanzien van de meeste luchthavens het
bevoegd gezag en zouden in het kader van de vergunningverlening en de
geluidsruimte rekening moeten houden met de belangen van de historische
luchtvaart. Het is niet mogelijk om dit via een wettelijke regeling vast te
leggen omdat de situatie verschilt per vliegveld.
Historische
vliegtuigen vallen ook onder Europese en nationale veiligheidsvoorschriften ten
aanzien van onder andere onderhoud en luchtwaardigheid. Doel van deze regels is
het voorkomen van incidenten met vliegtuigen. Voor historische vliegtuigen
geldt dat er een speciaal bewijs van luchtwaardigheid is dat rekening houdt met
de kenmerken van het historische vliegtuig. Daarnaast is er een type certificaat
en een geluidscertificaat. Het bewijs van luchtwaardigheid en het type
certificaat zijn benodigd om te garanderen dat het vliegtuig in een goede staat
verkeert voor gebruik. Daarbij horen ook onderhoudseisen voor het vliegtuig.
Het
geluidscertificaat of een geluidsverklaring is benodigd om vast te kunnen
stellen of het vliegtuig kan voldoen aan de geluidsnormen. Dit betekent voor
historische vliegtuigen dat er vaak een zeer kostbaat geluidsonderzoek moet
worden gedaan. Voor dit geluidsonderzoek is geen mogelijkheid tot ontheffing
opgenomen. Wel is in artikel 3.19b, lid 5 van de Wet luchtvaart opgenomen dat
een historisch vliegtuig niet hoeft te voldoen aan de geluidseisen. Ten eerste
kan dat het geval zijn indien het luchtvaartuig ingrijpend gewijzigd zou moeten
worden om het aan de geluidseisen te laten voldoen. Daarmee zou het historisch
karakter ontoelaatbaar kunnen worden aangetast. In zo'n geval kunnen eventueel
ruimere geluidseisen worden gesteld. Ten tweede kan het zijn dat het
historische karakter niet rechtvaardigt dat niet aan de geluidseisen zou hoeven
te worden voldaan. Gedacht kan worden aan een luchtvaartuig waarvoor een
zogenaamde «hushkit» beschikbaar is welke niet afdoet aan het historische
karakter. Een afweging van de belangen zou er dan toe kunnen leiden dan toch
strengere geluidseisen te stellen teneinde hinder te vermijden.
Een
ontheffingsmogelijkheid voor de verplichte geluidscertificaten lijkt niet
mogelijk omdat de geluidsbelasting van vliegvelden wordt berekend aan de hand
van de geluidsgegeven over vliegtuigen. Juist omdat historische vliegtuigen een
belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de geluidshinder rond een vliegveld is
het dus van belang dat bekend is hoeveel geluid een historisch vliegtuig
produceert.
Voor de stalling
en het gebruik van historische vliegtuigen zal vrijwel altijd sprake zijn van
een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Voor musea zal dit bestaan
uit het feit dat er sprake is van een toeristische attractie met gevolgen voor
het milieu en voor de stalling van werkende vliegtuigen zal dit het gevolg zijn
van de aanwezige stoffen en werkzaamheden. Op de gevolgen van het zijn van een inrichting in de zin van
de Wet milieubeheer zal apart worden ingegaan.
Uit het onderzoek
‘Asbest in kaart’; Historisch onderzoek Asbestgebruik. Methode
Asbestkansenkaart van Historisch
onderzoeksbureau Register uit 2006 in opdracht van Senternovem blijkt dat
vliegtuigen in het verleden werden geïsoleerd met asbest. Daarnaast blijkt uit
het rapport dat ook asbest is toegepast in rem- en frictiemateriaal voor
vliegtuigen. Op grond van het
productbesluit asbest is het in Nederland verboden om asbest op voorraad te
hebben, te bewerken of te verwerken. Dit betekent dat het niet meer mogelijk is
om de in treinen en trams aanwezige asbest te vervangen voor nieuwe
asbestonderdelen. Gelet op de
grote gevaren van asbest is er echter vanuit de eigenaren van historische
vliegtuigen ook geen behoefte op een vrijstelling hiervan voor zover dat al
mogelijk zou zijn.
2.4 Watervaartuigen zoals klassieke jachten
en historische schepen.
De belangrijkste wet voor historische
schepen is de Binnenvaartwet. Deze wet is van toepassing op een pleziervaartuig dat:
·
op vol vermogen meer dan 20 kilometer kan
varen;
·
of 15 meter of langer is;
·
of als lengte x breedte x diepgang 100 of
meer
is.
Of een passagiersschip dat:
·
bestemd is voor het vervoer van meer dan 12
personen; de bemanning niet meegerekend;
·
of 15 meter of langer is;
·
of op vol vermogen meer dan 20 kilometer kan
varen.
Of een vrachtschip van:
·
15 meter of langer;
·
of als lengte x breedte x diepgang 100 of meer is.
De wet geeft regels en eisen waaraan
binnenvaartschepen en de bemanning moeten voldoen in het kader van de veiligheid
op het binnenwater. Voor schepen die waren toegelaten onder de voorganger van
de Binnenvaartwet, de Binnenschepenwet geldt dat zij nog vallen onder de regels
van die wet tot aan 2018. In 2018 vervalt de overgangstermijn en moeten alle
schepen voldoen de Binnenvaartwet.
De eisen en regels van de Binnenvaartwet worden in
zijn geheel als belemmerend gezien. Omdat de knelpunten per schip verschillen
zijn er geen specifieke knelpunten aan te wijzen. De Binnenvaartwet is deels
gebaseerd op richtlijn 2006/87/EG inzake technische voorschriften voor
binnenvaartschepen. In deze
richtlijn zal nog een hoofdstuk 19 worden opgenomen met specifieke regels voor
historische schepen. Tot op heden is dit hoofdstuk nog niet ingevuld waardoor
het gevaar bestaat dat historische schepen vanaf 2018 niet meer kunnen voldoen
aan de technische voorschriften. Het is dus van belang dat er snel een goede
regeling wordt getroffen voor historische schepen in hoofdstuk 19 van richtlijn
2006/87/EG omdat dit veel knelpunten zou oplossen.
Voor vrijwel alle eisen uit de Binnenvaartwet kan een
ontheffing worden verleend. Omdat de eisen uit de Binnenvaartwet echter
Europees zijn heeft dit wel tot gevolg dat een schip dat vaart met een
ontheffing van bepaalde eisen niet buiten Nederland kan varen omdat de andere
landen onze ontheffingen niet erkennen.
De Wet pleziervaartuigen vereist sinds 2009 dat
vaartuigen tussen de 2,5 en 24 meter een vuilwatertank aan boord hebben. Een
uitzondering hier op is gemaakt voor historische vaartuigen die voor 1950 zijn
gebouwd, evenals individuele replica’s van zulke vaartuigen, indien zij
hoofdzakelijk met oorspronkelijke materialen zijn gebouwd en zodanig door de
fabrikant zijn aangemerkt. Hiermee is een belangrijke belemmering voor de
historische schepen weggenomen. Niet uitgesloten kan echter worden dat ook
schepen van na 1950 in de nabije toekomst van dermate historisch belang worden
dat zij worden geconfronteerd met deze regel. Op dit moment levert de wet
echter vrijwel geen beperkingen meer op.
Voor de historische zeewaardige zeilschepen die als
passagiersschip dienen zijn geen aparte regels opgenomen in de Nederlandse
wetgeving. Dit terwijl in richtlijn 2006/87 artikel 1.01 lid 19 wel de volgende
definitie is opgenomen, “ „zeilend passagiersschip”: een passagiersschip dat is
gebouwd en ingericht om ook door middel van zeilen te worden voortbewogen”.
Bovendien
heeft de Raad van Europa in Aanbeveling
nr. 1486 een definitie opgesteld voor historische schepen, “ historic
ships can be all kinds of historical ships and their replicas including those
designed to encourage and promote traditional skills and seamanship, that
together serve as living cultural monuments, operated according to traditional
principles of seamanship and technique.”
De historische
zeilschepen vallen nu onder de Schepenwet, het Schepenbesluit en de Regeling
veiligheid zeeschepen. Zodra er meer dan 12 passagiers op het historisch
zeilschip aanwezig zijn moet
worden voldaan aan de eisen die gelden voor normale
passagiersschepen. Aangezien deze
eisen zijn toegespitst op de grote moderne passagiersschepen is het voor de
historische zeilschepen onmogelijk om aan deze eisen te voldoen. De Schepenwet biedt wel de mogelijkheid
om een ontheffing aan te vragen voor de daarin gestelde eisen. Toch zouden de
eigenaren van zeewaardige historische zeilschepen graag een aparte regeling
willen zien voor hun schepen. De Schepenwet en de daarop gebaseerde regelgeving
zal komende jaren worden herzien zodat het mogelijk moet zijn om voor zover
mogelijk rekening te houden met de historische zeilschepen.
In schepen is in
het verleden op grote schaal asbest toegepast. Op grond van het productbesluit
asbest is het in Nederland verboden om asbest op voorraad te hebben, te
bewerken of te verwerken. Dit betekent dat het niet meer mogelijk is om de in
schepen aanwezige asbest te vervangen voor nieuwe asbestonderdelen. Gelet op de grote gevaren van asbest is
er echter vanuit de eigenaren van schepen ook een behoefte op een vrijstelling
hiervan voor zover dat al mogelijk zou zijn.
Ook voor
historische schepen zit in de Wet op de accijnzen een belemmering wat betreft
de brandstof. Voor pleziervaartuigen geldt dat zij de dieselmotoren moeten
stoken met de witte diesel. Dit is een vrij dure brandstof terwijl de binnenvaart
gebruik mag maken van de veel goedkopere rode diesel. Voor historische schepen
die zijn opgenomen in het Nationaal Register Varende Monumenten geldt op dit
moment een gedoogregeling. Zonder wettelijke vastlegging hiervan staat niet
vast dat zij ook in de toekomst gebruik kunnen blijven maken van rode diesel.
Dit probleem doet zich ook voor bij historische vliegtuigen en het moet dan ook
mogelijk zijn om voor beide tot een wettelijke regeling te komen in de Wet op
de accijnzen.
Een ander
knelpunt in de belastingwetgeving is dat de Belastingdienst de historische
schepen soms ziet als pleziervaartuigen , ook als er gevaren wordt met gasten
aan boord. Zodra een schip wordt
gezien als pleziervaartuig kunnen de kosten die worden gemaakt bij het varen
niet meer worden opgevoerd als bedrijfskosten. Dit heeft grote financiële
gevolgen voor de eigenaren van historische schepen. Aangezien het hier een
interpretatieverschil betreft over de belastingwetgeving kan dit knelpunt het
best worden opgelost door overleg met het Ministerie van Financiën en de
Belastingdienst.
2.5
Historische woonboten.
Een belangrijk
knelpunt voor historische woonboten is te vinden in het Besluit lozing
afvalwater huishoudens. Op grond
van dit besluit zijn gemeenten verplicht om woonboten aan te sluiten op de
gemeentelijke riolering. Dit gaat gepaard met hoge kosten voor zowel de
gemeente als de eigenaar. Deels komen deze kosten in aanmerking voor een
subsidie. Voor historische woonboten blijkt het soms onmogelijk om de
voorzieningen aan te brengen voor een rioolaansluiting, zonder het historische
karakter van de woonboot aan te tasten. Soms is het mogelijk om dan te werken
met een gelijkwaardige oplossing in de vorm van een IBA (afvalwater
zuiveringsinstallatie) . Dit is echter niet altijd mogelijk zodat het voor een
beperkt categorie historische woonschepen van belang kan zijn om een
ontheffingsregeling te maken. Dit moet gezien de beperkte gevolgen daarvan ook
mogelijk zijn.
In schepen is in
het verleden op grote schaal asbest toegepast en dus komt er ook asbest voor in
woonschepen. Op grond van het productbesluit asbest is het in Nederland
verboden om asbest op voorraad te hebben, te bewerken of te verwerken. Dit
betekent dat het niet meer mogelijk is om de in schepen aanwezige asbest te
vervangen voor nieuwe asbestonderdelen. Voor woonschepen levert dit in de
praktijk echter geen problemen op anders dan de kosten van het verwijderen van
asbest.
Indien er wordt
gevaren met een woonschip dan gelden dezelfde regels als voor de reguliere en
pleziervaart. Dit betekend dat afhankelijk van het formaat van het woonschip de
Wet pleziervaartuigen en de Binnenvaartwet van toepassing zijn.
In december 2009
is de Waterwet van kracht geworden. Deze wet regelt onder andere het beheer van het water in Nederland. Veel
woonboten zijn gelegen in een door Rijkswaterstaat of het waterschap beheerd
waterstaatswerk. In het kader van het waterbeheer en het gebruik van het water
kan Rijkswaterstaat op grond van de Waterwet regels geven voor woonboten. In de
praktijk leidt dit nog wel is tot problemen voor woonboot bezitters. Dit komt
vooral voort uit de manier waarop vanuit de waterbeheerders wordt omgegaan met
woonboten en niet zo zeer vanuit de Waterwet zelf.
2.6 Milieuregelgeving
De Wet
milieubeheer is de kaderwet ten aanzien van milieuregels. De meeste bepalingen
uit deze wet en de bijbehorende regelgeving richten zich tot inrichtingen en
niet tot particulieren. Van een
inrichting is sprake zodra een activiteit bedrijfsmatig of in omvang
bedrijfsmatig plaatsvindt, fysiek is te begrenzen en voor een bepaalde duur
wordt verricht. Bedrijfsmatig betekent dat de activiteit commercieel is . In
omvang bedrijfsmatig geeft aan dat het om meer dan een hobby moet gaan.
De grens tussen
hobbymatig en bedrijfsmatig is moeilijk te maken maar in het kader van dit
onderzoek kan er vanuit worden gegaan dat een particuliere bezitter van een
historische auto of een historisch schip die daar zelf werkzaamheden aan
verricht buiten op zijn eigen terrein niet valt onder de reikwijdte van de Wet
milieubeheer.
Werkzaamheden aan
grotere schepen, treinen, trams, vliegtuigen of meerdere auto’s zal per
definitie plaatsvinden op een locatie die is aan te merken als een inrichting
in de zin van de Wet milieubeheer.
Op grond van de
Wet milieubeheer zijn inrichtingen die bepaalde handelingen plegen of aan een
bepaalde omvang voldoen milieuvergunningplichtig. De milieuvergunningen voor
deze inrichtingen worden afgegeven door de gemeente of de provincie. In de
milieuvergunning worden die voorschriften opgenomen die noodzakelijk zijn voor
de bescherming van milieu. Deze voorschriften worden vaak toegesneden op de
specifieke situatie van de inrichting. Het is dan ook niet mogelijk om via de
Wet milieubeheer een algemene ontheffing te introduceren voor inrichtingen waar
wordt gewerkt aan mobiel erfgoed.
Inrichtingen
waarvoor geen milieuvergunning is vereist vallen vrijwel allemaal onder het
Activiteitenbesluit. De uitzonderingen hierop zijn niet van belang voor het
mobiel erfgoed. Het Activiteitenbesluit
geeft regels voor bepaalde activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het
milieu ongeacht om wat voor inrichting het gaat.
Vanuit alle
sectoren blijkt dat, voor zover werkzaamheden worden verricht in inrichtingen
die vallen onder de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit, er geen grote
knelpunten zijn. Voor alle sectoren geldt dat er wel angst is dat met name de
regelgeving over de uitstoot van bepaalde stoffen in de nabije toekomst tot
problemen gaat leiden. Tot nu toe zijn historische voertuigen uitgesloten van
regels omtrent de uitstoot van schadelijke stoffen. Niet valt uit te sluiten
dat vanuit Europa regelgeving zal komen waardoor historische schepen,
vliegtuigen en auto’s moeten worden aangepast vanwege hun milieubelasting.
2.7 Arboregelgeving
De arbeids- en
arbowetgeving waarmee het mobiel erfgoed te maken krijgt is zeer divers. Voor
schepen gelden bijvoorbeeld regels over stahoogte, werktijden, relingen en
trappen. Voor vliegtuigen en treinen gelden weer heel andere regels. Het probleem
is dat de regelgeving niet goed aansluit op de specifieke kenmerken van het
mobiel erfgoed. Dit laatste komt omdat deze regelgeving to stand komt via
belangenorganisaties en het ministerie van SZW zonder dat de eigenaren of de
belangenorganisaties van mobiel erfgoed daarin worden gehoord. Vanuit alle
organisaties is aangegeven dat zij graag hun problemen op dit punt zouden
willen voorleggen aan het ministerie van SZW om zo tot een specifieke regeling
te komen. Het maken van specifieke ontheffingen is gelet op de regelgeving niet
mogelijk en ook volgens de belangenorganisaties in het mobiel erfgoed niet
werkbaar.
3. De rol van een nationaal register
mobiel erfgoed.
Een nationaal
register mobiel erfgoed is een registratie van mobiel erfgoed dat van belang is
voor Nederland. In het huidige register zijn diverse typen mobiel erfgoed
opgenomen met daarbij verschillende categorieën aanduidingen die de historische
waarde aangeven. Voor werkende museumstukken zoals trams, treinen, schepen,
vliegtuigen en bepaalde auto’s is het register van belang omdat het een
erkenning van de historische waarde geeft. Met name het aantal historische
treinen, trams en vliegtuigen dat in Nederland aanwezig is, is dermate beperkt
dat vrij makkelijk een overzicht is te maken van het erfgoed dat van belang is.
Voor schepen en auto’s is dit echter zeer lastig.
Uit informatie
van het Register Holland blijkt dat er waarschijnlijk 7000 schepen zijn die van
historisch belang kunnen zijn. Het erkennen van een bepaalde categorie van deze
schepen door registratie in een register mobiel erfgoed zou, indien er een
voorkeursbehandeling zou komen voor geregistreerd mobiel erfgoed, kunnen leiden
tot verwaarlozing van de niet in
het register opgenomen schepen waardoor voor de toekomst een deel van het
varend historisch erfgoed verloren gaat. Hierbij speelt een grote rol dat veel
historische schepen in particulier bezit zijn.
Voor klassieke
auto’s, motorfietsen en vrachtwagens geldt hetzelfde probleem als voor
historische schepen. Het aantal oldtimers in Nederland werd eind 2007 door het
CBS geschat op 323.000. Het maken van een onderscheid tussen oldtimers die wel
in het register mobiel erfgoed thuishoren en welke niet is vrijwel onmogelijk.
Ook hier is de reële mogelijkheid aanwezig dat indien in het register opgenomen
oldtimers een andere behandeling krijgen dan niet in het register opgenomen
oldtimers, dit mogelijk zal leiden tot het verloren gaan van een deel van de
voor de toekomst belangrijke voertuigen. Ook hierbij speelt een rol dat de
meeste oldtimers in particulier bezit zijn.
Woonboten nemen
in het onderzoek een bijzonder positie in. Volgens de rechtspraak is een
woonboot een roerende zaak en valt daardoor buiten de bescherming van de
Monumentenwet. Naar zijn aard is een woonboot in de meeste gevallen bestemd om
op een bepaalde locatie te liggen en veel gemeenten houden in hun
bestemmingsplannen dan ook rekening met woonboten. Alhoewel een deel van de
woonboten in Nederland in staat is om te varen komt dit vrijwel alleen maar
voor vanwege onderhoud of het innemen van een nieuwe ligplaats. De vraag is dan
ook of historische woonboten moeten worden gezien als mobiel erfgoed. De grootste bedreiging van historische
woonboten zijn ruimtelijke plannen in de zin van de Wro. Hiermee onderscheiden
woonboten zich van duidelijk van de andere typen mobiel erfgoed uit dit
onderzoek.
Bij de
totstandkoming van de eerste Monumentenwet is weloverwogen het onderscheid
aangebracht tussen roerende en onroerende monumenten. Uitbreiding van de
Monumentenwet tot roerende monumenten werd gelet op de hoge kosten die daar mee
gemoeid zouden zijn voor het Rijk, het benodigde ambtenarenapparaat om naleving
te controleren en de inbreuk die dat mogelijk zou maken op het particulier
eigendom van roerende zaken niet opportuun geacht. (Kamerstukken II 1955/56,
4115 nr. 3 MvT Monumentenwet en
Kamerstukken II 1955/156 , 4114 nr. 5 MvA Monumentenwet).
Bij de
behandeling van de Monumentenwet 1988 kwam er een voorstel om schepen ouder dan
50 jaar onder de werking van de Monumentenwet te brengen. Dit werd door de toenmalig minister
afgewezen. Zijn motivering daarvoor is voor de duidelijkheid in zijn
volledigheid hier opgenomen.
“Het voorstel van de Stichting Nationale
Contactcommissie Monumentenbescherming voor schepen die ouder zijn dan 50 jaar,
de mogelijkheid te openen hen onder de bescherming van de Monumentenwet te
plaatsen is, in overeenstemming met het standpunt van de Monumentenraad, niet
overgenomen. Niet is in te zien waarom wel schepen, maar geen andere
historische transportmiddelen onder de werking van de wet zouden moeten worden
gebracht. Zulks zou echter leiden tot een voorshands onoverzienbare uitbreiding
van de werking van de wet. De bestaande wet voorziet alleen in de bescherming van
onroerende monumenten. Daargelaten dat door het brengen van roerende monumenten
onder de wet het duidelijke en ook in de praktijk goed hanteerbare criterium
«onroerend» zou worden losgelaten, zijn er ook praktische bezwaren met
betrekking tot de bescherming van schepen. De wet gaat b.v. uit van een
kadastrale aanduiding. Ook de toepassing van het vergunningenstelsel op varende
monumenten zou grote problemen met zich meebrengen. Daarnaast moet de vraag
gesteld worden of het wettelijke beschermen van varende monumenten tot het door
hen, die daarvoor ijveren, beoogde doel leidt. De eerste ondergetekende, die al
heeft laten blijken oog te hebben voor het belang en de waarde van het varende
patrimonium, is er voorstander van op andere wijzen b.v. door het ondersteunen
van onderzoek, inventarisatie en documentatie, dit belang te erkennen.” (Kamerstukken II 1986/87, 19881 nr. 3 MvT
Monumentenwet 1988. )
Het criterium om
mobiel erfgoed niet op te nemen in de Monumentenwet ligt vooral in het feit dat
het gaat om roerende transportmiddelen. Het uitgangspunt dat mobiel erfgoed
vooral geholpen is bij onderzoek, inventarisatie , documentatie en erkenning
geldt ook nu nog. In dat opzicht heeft een register mobiel erfgoed als
belangrijke rol dat het onderzoek naar mobiel erfgoed makkelijker wordt gemaakt
en het register zelf zorgt voor documentatie en erkenning.
Deze argumenten
gelden echter in veel mindere mate voor historische woonboten, die in hoofdzaak
geen transportmiddel zijn en veel meer gelijkenis vertonen met onroerende
monumenten. Woonboten zouden dan ook veel beter thuishoren in de Monumentenwet
dan op een register mobiel erfgoed waarbij de nadruk vooral ligt op het mobiel
houden van historische transportmiddelen.
Vanuit de
oogpunten, behoud, inventarisatie, onderzoek, documentatie en erkenning is een
nationaal register mobiel erfgoed een goed middel om hierin te voorzien. Voor
zover dat register zou leiden tot een uitzonderingspositie bij
stimuleringsmaatregelen en ontheffingen kan dit tot problemen leiden ten
aanzien van auto’s, motorfietsen, vrachtwagens en schepen.